Titel Jacques Herb
JACQUES HERB

 de Kempense cultuurkrant

‘Manuela’ verongelukt al 40 jaar lang elke dag - Interview met Jacques Herb

BREDA - Wanneer u dit leest, is Breda nog aan het nagalmen van de ‘Manuela Party’. 40 jaar is het nu geleden dat Jacques Herb de hitlijsten aanvoerde met de smartlap ‘Manuela’, een gezongen soap-opera over twee mensen die elkaar ontmoeten op een feest, samen naar huis rijden en een zwaar auto-ongeval krijgen “De dokters vechten door. Ze weten niet waarvoor. Wat heb ik door mijn schuld haar aangedaan?” Ooit heeft Herb nog in Oud-Turnhout gewoond en stond hij in Turnhout zelfs achter de bar van de later uitgebrande Gentleman’s Club. Vandaag zingt hij nog steeds in heel Nederland.

We treffen Jacques Herb net voor zijn optreden op de Fancy Fair van Rijsbergen. Daar is een Hollandse middag met allerlei artiesten van eigen bodem. Wanneer ik hem uitleg dat het artikel voor ‘Suiker’ is, reageert hij blij verrast. Niet dat hij het blad kent, maar Jacques Herb blijkt een zoetekauw. In zijn koffie moeten altijd vier klontjes. “Ik heb alles graag heerlijk zoet. “ Maar zwaarlijvig is de 65-jarige zanger allerminst. “Het gaat er af op de bühne” zegt hij. Met suiker is het ijs gebroken.

Even terug naar hoe het begon. Jacques Herb, de jongste uit een gezin van 13 kinderen, monstert op z’n 15de al aan bij de ‘wilde vaart’: varen waar er lading is. Hij laat in diverse zeehavens zijn talent als zanger al horen. In 1970 neemt Herb -hij is dan 24- deel aan een talentenjacht in Scheveningen met het zelfgeschreven nummer “De Toreador”. De finale wordt door de AVRO op televisie uitgezonden en wanneer Pierre Kartner, alias Vader Abraham, Jacques Herb ziet en hoort, biedt hij hem meteen een contract aan. Herbs eerste single, ‘De Toreador’, komt direct binnen in de hitparades van de toenmalige zeezenderpiraten.

Neen, eigenlijk is er geen plaats meer voor dit genre

Pierre Kartner vertaalt voor hem (hoewel hij graag doet voorkomen of hij het zelf geschreven heeft) de Duitse schlager ‘Manuela’ van Gunnar Welz. Het is een schot in de roos. In 1971 staat het lied drie weken op 1 en nog eens vijf weken op 2. In de jaren erna scoort Jacques Herb nog hits met ‘Een man mag niet huilen’ en ‘Werkeloos’. Daarna wordt het een hele tijd wat minder. “Werkeloos was een beetje de omslag. Toen ben ik eigenlijk zelf zowat werkloos geworden,” grapt Herb. Maar het is hem toch gelukt om als zanger aan de bak te blijven. Er is dus reden tot feestvieren en dat gebeurt nu met een uitbundige Manuelaparty, precies 40 jaar na die hit.

Jacques Herb: “Ik hoop tijdens de party een 40-tal Manuela’s bij elkaar te krijgen om samen met hen op het podium te staan. In de periode waarin dat lied een hit was, zijn er enorm veel Manuela’s geboren. Het nummer heeft goud en kort daarna ook platina gehaald. En toen had je pas een platina plaat vanaf 250.000 verkochte platen. Van downloads was natuurlijk nog geen sprake.” 

“Die Manuela Party is eigenlijk gekoppeld aan mijn nieuwe cd ‘Mijn Levenslied’. Die komt uit op 22 oktober. Het nummer ‘Mijn Levenslied’ heb ik een hele tijd geleden al geschreven, maar nu pas opgenomen. Het is een vertelling over mijn carrière: ‘Ik weet nog hoe het is begonnen. Ik had een talentenjacht gewonnen.’ Ik heb gewoon het geluk dat er nog altijd mensen zijn die geloven in wat ik doe. Ik heb me ook al wel eens afgevraagd of ‘het’ er nog wel is. Maar dan merk je bij een optreden dat er toch nog heel wat mensen zijn die met je op de foto willen. En dan denk ik: ‘We zijn er nog.’ En de stem blijft het ook nog doen. Dus ik zing nog. Liedjes van mezelf en van anderen, onder meer van André Hazes. Ik heb thuis ook nog een ministudio waar ik wat dingen opneem. En tegenwoordig ben ik ook al 2 uur per dag bezig met social media. Op Facebook heb ik bijvoorbeeld echt veel vrienden uit België. Maar optredens zitten er in België voorlopig niet meer in. Met Manuela ben ik destijds wel door heel België getrokken.”

 

 

Hoe verklaar je zelf dat het lied destijds zo’n monsterhit is geworden?

“Het paste goed in de tijd. Het was 1971. Wie had er toen een auto? Een auto was een statussymbool. Een auto-ongeluk gaf een verhaal, en dus meteen veel dramatiek. En mijn stem leende zich wel voor drama. Maar die snik in het derde couplet van ‘Manuela’ … dat was per ongeluk. Dat gebeurde ineens tijdens de opname.  Ik zei dus achteraf tegen Pierre Kartner: ‘Sorry, ik zal het opnieuw doen.’ Maar hij zei: ‘Nee, dat is goed voor het lied. We laten het er in.’ En zo is het op plaat gegaan. We hebben dat lied twee keer in de studio gespeeld. Eén keer geoefend en de tweede keer opgenomen.”

En de rest is geschiedenis.

“Ik was zelf overdonderd door het succes. Na een tijd geneerde ik me zelfs als de radio weer eens ‘Manuela’ draaide. Ik dacht: ‘Daar heb je hem weer’. Zo erg was het. Ik was toen elke dag op tournee. Ook vandaag slaat het nog aan hoor, al is de smaak veranderd. Je moet nu veel uptempo brengen. De mensen willen feest, meedoen, stampen. Zelf ben ik meer een liefhebber van ballades.”

“Maar ik sta soms op zo’n megaparkfestival met 8.000 of 12.000 man. Elke artiest mag dan één of twee liedjes zingen en dat blijft dan maar doorgaan. Maar als ik Manuela inzet, gaan er toch 20.000 armen de lucht in.”

“Dat maakt het ook moeilijk om andere dingen te brengen. Ik heb destijds in Antwerpen zangles gehad van de bekende heldentenor en professor Marcel Vercammen. Hij zei me: ‘Als je wil, kan je een bekend tenor worden.’ Maar op dat moment wou ik niet stoppen waar ik mee bezig was. Ik was in die tijd natuurlijk wat verwend door het succes. Soms durf ik tijdens een optreden toch iets van bijvoorbeeld Andrea Bocelli zingen, om te laten horen dat ik ook iets anders kan. Ik had ook wel graag musical of opera gedaan.”

Ik heb in mijn Belgische periode ook zo’n twee jaar in revues meegedaan. Dat was een mengeling van variété en operette en nog veel meer. Zo heb ik nog als Tijl Uilenspiegel ‘Mijn Vlaanderen heb ik hartelijk lief’ gezongen. Ik heb ook nog in Oud België in Antwerpen gestaan. Dat ik kan zingen, is altijd het belangrijkste geweest.”

In de periode waarin Jacques Herb bij ons in revues staat, leert hij een Belgische vrouw kennen. De twee komen zich in Turnhout vestigen, nadat het koppel in de Otterstraat dancing ‘Gentleman’s Club’ heeft gekocht. Het pand zou later nog bekend worden als de Bronx. Zo raakt hij in Nederland stilletjes aan uit de aandacht. 

Jacques Herb: “Toen ik naar België ging verhuizen, had je nog geen social media. Voor de mensen in Nederland was het alsof ik in Timboektoe zat. Voor hen was ik echt ver weg.”

“In Turnhout had ik een dancing van een Italiaan overgenomen. Te duur eigenlijk, zei men mij achteraf. Toen ik eerst was gaan kijken, zag het er heel glorieus uit, leuk verlicht met spotjes en zo. Maar als ik dan later overdag eens ging kijken met de tl-lampen aan, dan zag je wel dat er veel beschadigingen waren en overal brandvlekken van sigaretten. Ik heb dat anderhalf jaar gedaan. Veel collega’s zijn er toen komen optreden, André Hazes ook. Het is vaak heel zwaar geweest in die periode. Ik kwam dan ’s nachts in Turnhout aan, na een optreden in Groningen of zo, erg laat. Ik had dan 3 uur gereden. Maar als ze me zagen in de dancing, dan was het:  ‘Ah, Jacques komaan, zing nog eens iets.’  En dan deed je dat dus toch maar. Ik viel enorm af in die periode. Ik ging me steeds slechter voelen. We hebben eerst boven de zaak gewoond en later in Oud-Turnhout. Mijn toenmalige vrouw gedijde in die zaak, maar ik was echt geen horecaman.”

“De dancing draaide ook niet goed. We zijn failliet gegaan en later is die zaak nog in de fik gegaan. Ik werd dan nog beticht van maffiapraktijken. De ‘Privé’ kwam vragen stellen: ‘Mijnheer Herb, hoe zit dat allemaal met die verdachte brand?’ Dat verhaal heeft een nare nasleep gehad.”

De dancing had zijn naam ook een beetje tegen, lijkt me. 

“Het heette al de ‘Gentleman’s Club’ voor wij er in kwamen. Ik vond het wel een goede naam die wat standing uitstraalde. Ook dat embleem van een man met een paraplu. Maar veel mensen dachten dat het een seksclub of zoiets was, en die bleven weg. Ik heb in die periode veel Belgische mensen leren kennen. Dat was wel fijn. We hebben met enkele Turnhoutse horecamensen toen zelfs nog een groepje gesticht: De Paljassen. Daar hebben we redelijk wat optredens mee gedaan, zelfs tot in Tilburg.”

“Maar vanaf dan is het een tijd lastig geweest om als zanger aan de bak te komen. Nederland was al grotendeels weggevallen en in België heeft de komst van VTM me de das omgedaan. Vanaf dan was er ‘Tien Om Te Zien’, met alleen nog maar aandacht voor Vlaamse artiesten. Ik viel eigenlijk buiten alle categorieën. De piratenzenders draaiden me ook niet meer. Die bleven bij het zogenaamde niveau A: Rob De Nijs en zo. De smaak is ook geëvolueerd. Het is allemaal meer uptempo nu. Maar het echte levenslied, dat moet met gevoel zijn. Dat wordt ook niet zoveel geschreven.”

Is er volgens jou nog plaats voor het genre?

(Denkt even na) “Eigenlijk niet. En toch staat het publiek nog steeds open voor gevoelige dingen. Ik zag laatst in ‘Idols’ het Dies Irae brengen op harp. Het publiek reageerde eerst wat verrast, maar ging dan toch mee.”

In die moeilijke periode, begin jaren 90, kwam je dan ineens op de proppen met ‘Manuela 2’, een soort sequel.

“Pierre Kartner vond dat het verhaal een vervolg moest krijgen. En hij heeft dat nummer dan geschreven, waarin er toch nog een happy end komt na het ongeluk. Er is ook een videoclip van gemaakt:  ‘Vergeef me toch / Die lijdensweg is nu voorbij / We kunnen eindelijk gaan trouwen / We leven nog / We kijken samen weer vooruit. En gaan een nieuwe toekomst bouwen.’ Het heeft wel wat media-aandacht gekregen”.

Hoe is het eigenlijk om te werken met Pierre Kartner? We horen niet altijd even flatterende verhalen.

“Pierre Kartner heeft me ontdekt. Ik ben wel teleurgesteld dat hij niet naar de Manuelaparty komt. Ik had hem er echt graag willen hebben. Hij heeft laten weten dat hij niet kan. Dat vind ik jammer.”

Maar dat neemt niet weg dat het met jou weer beter gaat.

“Sinds Diny (zijn huidige vrouw, nvdr) in 1992 is het allemaal weer gebeterd. Wij gaan samen weg, zijn samen thuis. Zij regelt alles: de kleding, de afspraken, de techniek, de fanmail. Ik moet alleen nog zingen.”

Dit jaar ben je 65 geworden. Dat is het moment waarop je aan pensioen mag denken.

“Ik ben sinds mei 65 en krijg nu een pensioen, ja. Maar dat is geen vetpot. Ik klaag niet, hoor. Ik kan nu een paar optredens minder doen, maar ik wil nog niet achteroverleunen. De spanning voor een optreden is er ook nog altijd. Eigenlijk ben ik best wel gelukkig nu.”

Dan is het tijd voor het optreden van Jacques Herb op de fancy fair. Hij plooit zich gewillig naar de wensen van het publiek en geeft hen de feestmuziek die ze verwachten. Ook bij Manuela, zijn slotnummer, is de sfeer optimaal. En wat zeker respect afdwingt: daar staat nog steeds een rasechte zanger, met een klok van een stem. Loepzuiver en krachtig. Een mens zou er haast weemoedig van worden. Maar ’n man mag niet huilen.

Tekst: Dominic Depreeuw

Foto’s: Bart Van der Moeren

is de Kempense cultuurkrant. Een uitgave van Procart GVC. © Suiker 2009

© Jacques Herb - 2014

Alle rechten voorbehouden